“Ik voel me als Alice in Wonderland”

Toen ze dit voorjaar aankondigde om haar functie van Bestuursvoorzitter van Autoriteit Financiële Markten (AFM) te verruilen voor het speciaal onderwijs, kreeg ze een overweldigende hoeveelheid – vooral positieve – reacties. Inmiddels is Merel van Vroonhoven (51) aan de pabo begonnen en zitten haar eerste dagen op een basisschool in Den Haag erop. “Elke stagedag heeft zoveel kleine mooie momenten.”

Hoe kwam je tot dit besluit?  
“Ik wil graag op individueler niveau van betekenis zijn. Maar echt tot die stap komen, was een proces van jaren. Die heel dichte betrokkenheid heb ik van thuis uit meegekregen. Mijn vader was dokter. Als het ergens gaat over betekenis hebben op individueel niveau, is het wel in dat vak. Toen ik in de directie van de Nederlandse Spoorwegen zat, deed ik ook de conducteursopleiding. Een keer in de vijf weken ging ik met opleider Koos mee op de trein. Ik merkte hoe anders je wordt benaderd als je dat uniform aantrekt. Aan de ene kant zijn er de reizigers die je niet meer zien staan of je uitschelden. Aan de andere kant de mensen voor wie je je opeens dichtbij voelt. En ik zag ook de directe consequenties van mijn handelen. ‘Tjonge, wie heeft dít bedacht?’, vroeg ik dan over iets wat niet werkte. Waarop Koos lachend antwoordde: ‘Nou, jullie in de directie!’” 

Na de NS trad je toe tot het bestuur van AFM, voordat je vijfenhalf jaar later de sprong naar school waagde. 
“Naarmate je ouder wordt, kom je er steeds meer achter wat je echt drijft. Voor mij werd steeds duidelijker dat dat het verbinden van werelden is. En werken aan een samenleving waarin iedereen een plek heeft, niet alleen diegenen die net iets gunstiger geboren zijn, die meer mogelijkheden hebben of intelligenter zijn. Dat kón ik bij AFM, door me in te zetten voor een eerlijke financiële markt. Op macroniveau werkte ik aan die inclusieve wereld. Maar in praktijk bracht ik toch veel tijd door in vergaderzalen, ver van de mensen voor wie ik het deed. Ik dacht: ik ben bijna vijftig, ga ik nou nog een heel ander vak leren? Eng, maar toch overheerste dat kriebelende gevoel. In het najaar van 2018 wandelde ik in de duinen. Ik dacht aan die tekorten in het onderwijs, en aan hoe groot de rol van een leraar was in het leven van mijn eigen kinderen. Ja, ik ben bijna vijftig, dacht ik. Dus ik kán nog twintig jaar leraar zijn.”  

Vanwaar de keus voor het speciaal onderwijs? 
“Mijn zoon heeft autisme, dat heeft zeker een rol gespeeld. Hij ging naar het speciaal onderwijs. Het bleek het beste te zijn wat hem is overkomen. Hij kreeg de aandacht en specialistische expertise die hij nodig had, én het besef dat hij niet alleen was. Daardoor is hij enorm gegroeid. De kunde die je nodig hebt om kinderen te helpen die het net iets moeilijker hebben, die is zo belangrijk. Voor het kind, de ouders en de omgeving. Daar wil ik me op toeleggen.” 

En? Hoe ziet je werkende leven er nu uit? 
“Ik wil lerares worden, maar ik wil ook bestuurlijk actief zijn.  Grotendeels in de klas, en daarnaast ook bestuurlijk, dat is het idee. Ik ben nu dagelijks veel bezig met de pabo en mijn stage. Lessen voorbereiden voor school, een dag stagelopen, dat weer evalueren, leren voor de vakken... Daarnaast ben ik nu onafhankelijke aanjager voor OCW, om te kijken hoe de aanpak van het lerarentekort kan worden versneld. En ik schrijf onder meer columns voor de Volkskrant. Ik heb het zeker niet mínder druk dan toen ik nog bij AFM werkte.” 

Je bent nog maar net begonnen, maar wat is je eerste gevoel?  
Lachend: “Mijn emoties variëren per dag. Van totale gelukzaligheid tot ook momenten dat ik me onzeker voel. Dan vraag ik me af of het me gaat lukken om het vak te leren, maar ik twijfel niet aan mijn besluit. Ik merk dat ik er steeds meer inkom en geniet erg van mijn stagedagen op school. Een echte evaluatie kan ik nu nog niet geven, daar is het te vroeg voor. Ik denk nu vooral dingen als: huh, waar is de staartdeling gebleven? Dan zeggen mijn kinderen: ‘Duh mam, die is al heel lang weg.’ Maar hé, ik was ook heel lang weg.” 

Hoe is het om na 25 jaar weer student te zijn? 
“Ik doe de digitale pabo in deeltijd, zelfstudie dus. Ik heb veel contact met mijn klasgenoten, die allemaal een andere carrière achter de rug hebben. We wisselen veel ervaringen en vragen uit. Fijn, want het is een heel andere manier van studeren dan ik gewend ben. Vroeger kocht je een boek, en daar kreeg je dan een mondeling of schriftelijk en misschien een practicum voor. Maar hier moet je een heel portfolio opbouwen. De pedagogische en didactische theorie moet je gebruiken in de praktijk, met persoonlijke ontwikkeldoelen en lesdoelen. Alles wordt geëvalueerd, door jezelf, je school en je begeleider. En dat zet je weer om in verbeterplannen. Daarnaast moet je kennis en vaardigheden opdoen voor alle basisschoolvakken. Allemaal heel handig, en allemaal heel nieuw.”

Hoe was je allereerste stagedag?
“Het is bizar dat je zo zenuwachtig kunt zijn om een klas met 26 kinderen van negen of tien binnen te lopen. Ik draaide mijn hand er niet voor om duizend accountants toe te spreken. Maar hoe spreek ik kinderen van die leeftijd aan? Die accountants kijken stiekem op hun telefoon als ze niet geboeid zijn, maar dat zie je niet vanaf het podium. In de klas zie je het wel. Je bent weer een absolute beginner, dat is een paradigmaverandering. Ik moet accepteren dat ik nog veel moet leren en dus ook beginnersfouten maak. Tijdens de eerste dag heb ik enorm veel gevraagd aan mijn stagebegeleider. Wanneer zit ik, wanneer mag ik opstaan? Waarom doe je dit? Hoe doe je dat? Ik kijk vol bewondering naar haar. Ze is in staat de klas in alle rust te laten functioneren, ogenschijnlijk zonder dat ze zelf de hele tijd hard aan het werk is. En dus kan ze het geheel ook nog overzien.”

 


 

"Ik moet accepteren dat ik beginnersfouten maak"

Wat voor school is je stageschool?   
“Een multiculturele school in een van de achterstandswijken in Den Haag. Er zijn kinderen van hindoestaanse, Poolse, Turkse, Marokkaanse achtergronden, kinderen die gevlucht zijn... De meesten hebben een andere context dan kinderen van een puur Nederlandse afkomst. Heel interessant en leerzaam. Het was nog een behoorlijke uitdaging om alle namen te onthouden en goed uit te spreken. Ik heb ze opgeschreven, ook fonetisch. We praatten over de betekenis en herkomst ervan. En ik vroeg of ze me wilden corrigeren als ik iets verkeerd uitsprak. Na twee stagedagen wist ik ze alle 26. Of ik ze precies goed uitspreek, is een tweede.”  

Hoe stelde je je aan hen voor? 
“Ik dacht: hoe sluit ik aan bij hun belevingswereld? Door andere kinderen te betrekken in het verhaal. Ik heb dus verteld over mijn kinderen, over mijn zonen op de middelbare school die fervente gamers zijn. Ik liet foto’s zien, vertelde wie welke game speelt, vroeg of ze wat hun favoriete games waren. En ik vertelde dat mijn man en zonen ook voetballen, waar een gesprek over voetbal en clubs op volgde. Ik heb uitgelegd waarom ik juf wilde worden en wat ik hiervoor deed. En ik vroeg tips over hoe ik een goede juf word.” 

En?  
“Een goede juf is streng, maar ook lief en aardig. Ze beloont als iemand het goed gedaan heeft en straft als iemand iets verkeerd doet. Maar bovenal moet ze dingen goed uitleggen. Ik vond het grappig dat kinderen echt zelf vragen om strengheid. Dat ze een beeld hebben dat dat er ook bij hoort. Ook spannend, trouwens. Kan ik dat, lief én streng zijn?” 

Liefdevol streng zijn. Dat is voor een bestuurder ook een nuttig streven, toch? Kun je veel meenemen vanuit je vorige carrière? 
“Ik denk dat je vooral jezelf meeneemt. Merel als bestuurder en leidinggevende, dat is een rol en een vak. En dan heb je de invulling, die ik doe vanuit wie ik zelf ben. Ik moet nu een nieuw vak leren, maar daar neem ik Merel weer in mee. Net als mijn leidinggevende ervaring en het op de zeepkist staan. Als leidinggevende vond ik het heel belangrijk dat je je echt verdiept in de ander. Dat is voor een leraar ook heel belangrijk. Als leidinggevende moet je verschillen tussen mensen erkennen. Idem voor een leraar.” 

Betekenis hebben op individueel niveau heeft als gevolg dat leed van kinderen ook dichtbij komt. Hoe wapen je je daartegen, helemaal straks in het speciaal onderwijs? 
“Daar heb ik veel over nagedacht. Kan ik ook liefdevol áfstand houden? Hoe zorg je dat je niet afstompt maar ook niet alles mee naar huis neemt? Een docente vertelde me tijdens een van mijn meeloopdagen dit voorjaar over een leerling die zijn moeder thuis dood had gevonden. Steevast als de klas naar buiten ging of in de rij moest, vroeg hij: ‘Juf, mag ik een hand’? En altijd zei ze: ‘Nee, niemand mag een hand dus jij ook niet.’ Na het overlijden van zijn moeder vroeg hij het weer, en weer zei ze nee. Ze schrok er zelf van. Maar de jongen zei daarop: ‘Dank u wel juf. Thuis is alles anders, maar gelukkig is op school alles nog hetzelfde.’ Hij wilde normaal zijn. Mijn zoon speelt in een team van de G-voetbal, dat vooral bestaat uit kinderen met een fysieke beperking. De eerste keer dat ik daar ging kijken, vond ik het heftig. Tot je je realiseert dat zij het allemaal doodnormaal vinden. De laatste keer scoorde een jongen met een looprek. De vreugde was zo enorm, het doet er niet toe dat dit elftal nooit ADO A1 wordt. Het gaat om een fantastische dag, en met een goed gevoel naar huis gaan. En vooral dat ze erbij horen, in een team, een groep. Dat zag ik op alle scholen met speciaal onderwijs ook. Kinderen willen worden behandeld als normale kinderen, en dat moet ook.” 

Welke gelukzalige momenten heb je tijdens je eerste stagedagen al gehad? 
‘Vorige week hadden we de piepjestest. Ik rende samen met mijn stagebegeleidster en een moeder mee. Daar ging Juf Merel hoor, hijgend in haar gewone kleren. Maar alle kinderen langs de kant juichten: ‘Hup juf Merel, hup juf Merel!’ Elke stagedag heeft zoveel kleine mooie momenten. Als je een meisje iets uitlegt, waarna ze het echt begrijpt. Tijdens een leuk gesprekje met een collega. Als een moeder haar zoon komt halen en zegt dat ze blij is dat het weer goed gaat in de klas. Niks hoogdravends, maar allemaal mooi. Ik zit nog wel een beetje in de wittebroodsweken, kom over een jaar nog maar eens terug. Maar nú voel ik me als Alice in Wonderland.” 

Mis je niets uit je vorige baan?
“Ik mis vooral mijn oud-collega’s. Mensen zijn in elke organisatie het belangrijkste. Gelukkig ontmoet ik nu ook weer veel nieuwe aardige en bijzondere mensen. Daarnaast mis ik ook soms de heel praktische zaken. Ik moet ineens alles zelf doen, dat is wennen. Toch werkt juist dat grappig genoeg heel louterend. Ik realiseer me dat niet alles vanzelf gaat en dat een leraar echt heel veel moet doen. Ik sta veel meer in het echte leven.”

Hoe zie je de toekomst van het onderwijs tegemoet, nu je er middenin zit? 
‘Een overkoepelende visie heb ik nog niet, daar is het nog te vroeg voor. De aanwas van zijinstromers is hoog, en dat is mooi. Maar we moeten wel zorgen dat ze niet stuklopen op gebrek aan goede begeleiding, en op verwachtingen die niet aansluiten bij de werkomgeving. Ik gun het zijinstromers én scholen én zittende leraren dat ze hun eigen sterktes kunnen inzetten en die van elkaar benutten. De Britse Lucy Kellaway, een oud-journalist van de Financial Times, werd op haar 57e wiskundelerares in een Londense achterstandswijk. Ze zette het programma Now Teach op, gericht op zijinstromers van eind veertig tot zeventig jaar. Van de werving tot en met de eerste twee jaar voor de klas worden ze begeleid. Niet alleen is het aantal zijinstromers er enorm toegenomen, de retentieratio is onder hen nog hoger dan bij de gemiddelde leraar. Een zij-instromer kost scholen in eerste instantie tijd. Je moet die nieuwe mensen veel leren, en je had het al zo druk. Maar ik hoop dat ze iets kunnen brengen op een ander vlak. Zo wint een school een extra gezichtspunt, andere expertise. Zij-instromers halen én brengen. Als iedereen dat zo ervaart, dan komen we ergens.”

Wat vraagt dat van zijinstromers?
“Bescheidenheid. Het zou ook totaal onterecht zijn om niet bescheiden te zijn. Ik was goed in mijn vorige baan. Maar dat was een heel ander vak, dat zegt niets over mijn kwaliteiten als lerares. Als ik ziek ben en er komt een dokter langs die ervoor succesvolle bankier was, dan wil ik toch ook weten hoeveel ervaring hij heeft vóórdat hij het mes in me zet?” 

 

Bio
Merel van Vroonhoven (51) studeerde geofysica aan de Technische Universiteit Delft, en volgde een MBA aan de INSEAD Business School. Van 1993-2009 vervulde ze verschillende leidinggevende functies bij ING en Nationale-Nederlanden. Van 2009 tot 2014 maakte ze deel uit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Spoorwegen, en aansluitend was ze vijfenhalf jaar bestuursvoorzitter bij Autoriteit Financiële Markten. In 2012 werd ze Topvrouw van het Jaar. In april 2019 kondigde ze haar overstap naar het onderwijs aan. Ze is getrouwd en heeft een samengesteld gezin van vier kinderen. 

Delen: