“Wees je bewust van je blinde vlekken”

Toen kinderboekenschrijfster Manon Sikkel van haar uitgever hoorde dat ze de nieuwe kinderboekenambassadeur werd, was ze eerst stomverbaasd en vervolgens wild enthousiast. Dé kans om inclusiviteit in kinderboeken landelijk te agenderen, grijpt ze met beide handen aan. 

 

Waarom is een kinderboekenambassadeur nodig? 
“Wat we weten over het belang van taal en goed leren lezen, is nog niet bekend bij iedereen. Bovendien komen er elk jaar nieuwe kinderen, nieuwe ouders en nieuwe docenten bij. Er zijn heel veel initiatieven om taalontwikkeling en lezen te stimuleren, er gebeurt heel veel. Maar de boodschap van de ambassadeur is overkoepelend.” 
 

Tijdens je aantreden afgelopen april sprak je de wens uit om van Nederland een land van heel veel lezers te maken. Hoe dan?
“Uit de leesmonitor van Stichting Lezen blijkt dat er een paar kritieke punten zijn waarop je kunt zorgen dat een kind niet afhaakt als lezer. Op het moment dat een kind zelf kan lezen, houden ouders op met voorlezen. Dat moet niet. Woorden kun je in het begin nog uit de context leren. Maar als je ouder wordt, worden die niet meer zoveel geduid als in boeken voor jongere kinderen. Je hebt dan hulp van een volwassene nodig. Bovendien is lezen een intiem moment tussen volwassenen en kinderen, een kind voelt zich veilig als het voorgelezen wordt. Rond hun achtste maken kinderen de overstap naar begrijpend lezen. Het is heel moeilijk om te ontdekken wanneer ze dat kunnen. Hoe kom je er bij dertig kinderen die braaf een boek lezen achter of ze ook echt snappen wat er staat? Dan moet je vragen stellen, interactief bezig zijn. Als je daar geen tijd voor hebt, dan kan een kind de boot missen en heel snel het plezier in lezen verliezen.” 

Wat is de rol van docenten hierin?
“Ga dus door met voorlezen, helemaal tot en met groep acht. Het geheim is dat je een boek voorleest dat je zelf wilt lezen. Dat is alleen maar leuk als je het nog niet kent. Er zijn veel docenten die de boeken kiezen die ze als kind leuk vonden. Brief aan de KoningKruistocht in Spijkerbroek. Of een boek als Achtstegroepers Huilen Niet, ook een hit. Allemaal heel mooi en leuk, en die moeten alle kinderen lezen. Maar jij als leerkracht moet ze niet elk jaar weer voorlezen. Want je kent ze al en dat horen kinderen aan je stem. Als ik in de klas vraag wie er van lezen houdt en alle kinderen steken hun vinger op, dan hoef ik niet naar de juf of meester te kijken. Ik weet dat die ook met de vinger in de lucht zit. Als ik maar de helft van de klas met een vinger omhoog zie, weet ik dat de juf of meester geen vinger heeft opgestoken. Een leerkracht die laat zien van lezen te houden, wordt gevolgd door de leerlingen.” 
 

Je voorgangers hadden allemaal zo hun stokpaardje. Het jouwe is inclusiviteit. Dat kan betrekking hebben op de inhoud van het aanbod, óf op het feit dat iedereen toegang moet hebben tot boeken. 

“Klopt. Allebei immens belangrijk, maar ik richt me nu op de inhoud. Die moet diverser en inclusiever worden. We zijn verschillend in hoe we zijn, doen en denken. Dát omarmen we, en iedereen hoort erbij. Als je zes kinderen tekent, hoeven ze niet alle zes blond te zijn. Een jongen mag ook wel eens gelakte teennagels hebben. Een meisje dat gepest wordt, hoeft niet dik te zijn. Een juf die oud is, is niet per se lelijk. Je hebt ook mooie oude juffen. Een gemene juf hoeft er niet uit te zien als een monster met haren uit haar neus. Het zit op zoveel subtiele vlakken. Ik hoop dat ik die boodschap snel kan overbrengen. Zodat ik me daarna ook nog op het tweede richten: dat zoveel mogelijk kinderen ook toegang krijgen tot die boeken.”

Waarom is juist dit jouw strijd? 
“Ik ben opgegroeid met vier homo-ooms, en een van hen was Marokkaan. Ik groeide op met geadopteerde neefjes en nichtjes die Aziatisch of Afro-Amerikaans waren. Mijn vader komt uit de allerarmste buurt van Den Haag, mijn moeder uit een heel rijke Haagse familie. Van mijn vader kreeg ik mee: je moet nooit kijken naar hoe iemand eruitziet, wat zijn huidskleur is, zijn geaardheid, zijn achtergrond. Mijn moeder had geen geloof, mijn vader werd joods toen ik twaalf was. Ik ben als enige in mijn hele familie Rooms-Katholiek gedoopt. Ik ben zelf alles en niks. In mijn familie waren diversiteit én inclusiviteit volkomen normaal.”  


Wat zie je nu vaak misgaan in kinderboeken? 
“Kijk, ik ben een rijdende trein aan het duwen, geen stilstaande. We zijn al een eindje, alleen nog lang niet ver genoeg. Balletmeisjes zijn in boeken altijd dun. Een dik meisje dat wil balletten, vindt geen boeken die haar aanspreken. In een boek van Carry Slee zit een gemene juf à la Bulstronk van Roald Dahl. Valse juffen stinken altijd, ze hebben lelijke tanden en zijn dik en vies. Maar wat als je zelf een juf bent met een wrat en lelijke tanden? Dan denken kinderen al snel dat je dus ook gemeen bent! Kinderen voelen zich vaak al zo kwetsbaar. En dan krijgen ze ook nog te zien: als je lelijk bent, ben je een raar rotkind.”  

Ga dus door met voorlezen, helemaal tot en met groep acht.

Manon Sikkel

Welke schrijvers in Nederland hebben het wel onder de knie?
“Paul van Loon doet het heel goed met Dolfje Weerwolfje. Janneke Schotveld voert in een van haar boeken een bakker op: een dunne vrouw. Mooi, want bakkers zijn in verhalen bijna altijd dikke mannen. Mylo Freeman is de eerste in Nederland die naar buiten bracht dat er veel te weinig zwarte kinderen in kinderboeken zitten. Uitgeverij Rose Stories heeft er een missie van gemaakt. Maar het is nóg belangrijker dat educatieve uitgeverijen dat doen. Die maken boeken die bij alle kinderen komen. Ik zag pas een boek in ontwikkeling, van Zwijsen, over twee tweelingen. De ene tweeling blond en wit, de andere donker. ‘O,wat leuk’, zei ik tegen de illustratrice. ‘Wie hebben de hoofdrol?’ Dat was de witte tweeling. Ik vroeg iemand bij de uitgeverij waarom die keus was gemaakt. Daar bleek niemand bij stil te hebben gestaan. Tussen de regels door geef je zo dus wel de boodschap; met bepaalde kenmerken kun je nooit de hoofdrolspeler of held zijn. En laat nou ook eens een dik, rossig kind met bril de hoofdrol spelen. Die worden nog zo vaak gepest.” 

Veel klassiekers krijgen vast ook een onvoldoende voor inclusiviteit.
“Ja, er zijn oudhollandse kinderboeken die echt niet meer kunnen. Ik ben heel groot fan van Pippi Langkous. Maar dat haar vader negerkoning is, dat kán niet meer. Ik zei een tijdje geleden trouwens op de radio dat ik niet zo’n fan ben Jip en Janneke, omdat het zo’n traditioneel gezin is. De presentator zei daarop: ‘Maar Jip en Janneke zijn toch zwart?’ Ik moest heel hard lachen, want dat is ook zo! Het geeft aan dat we allemaal blinde vlekken hebben. Ze zijn zo groot dat we zwarte kinderen als witte interpreteren. Maar Jip en Janneke zijn allebei nog zwarter dan de tafel waar we nu aan zitten.”

Zelfs jij hebt dus nog blinde vlekken? 
“Ja, terwijl ik er sinds het allereerste begin enorm op let tijdens het schrijven. Elvis Watt (het hoofdpersonage in Sikkels gelijknamige kinderboekenserie, red.) groeit bijvoorbeeld op met zijn moeder. En zij is altijd aan het tuinieren. Voor mij staat dat symbool voor een vrouw met haar handen in de aarde, een harde werker. Maar een onderzoeker die haar PHD deed over de rol van mannen en vrouwen in kinderboeken, zag haar als ‘zo’n vrouwtje dat de hele tijd aan het tuinieren is’. Precies niet zoals ik het bedoeld had. Ik probeer zo subtiel mogelijk te zijn, dat voelt voor mij het beste. Maar blijkbaar kun je ook té subtiel zijn. Geheimagent Oma is uitgesprokener. In de meeste boeken zijn oma’s lief, zijn ze dol op kinderen en hebben ze rollator en grijze krullen. De mijne heeft een tijgerpak en een Tesla. En ze haat kinderen.”

Je komt wekelijks in klassen mét die sensor voor die inclusiviteit. Hoe is dat?
“Op schoolbezoek zie ik klassen met heel veel verschillende kinderen, die een stempel krijgen terwijl ze vaak anders zijn dan hoe ze overkomen. Ik wil dat ze ontdekken dat hoe ze zich voelengoed is. Ik heb een heel leuke oefening bedacht met een diverse groep van twaalf kinderen op een school in Amsterdam Noord. De kinderen mochten zelf een personage bedenken dat ze wilden zijn. Erna gingen we met elkaar praten alsof we die personages waren. Wat er gebeurde was fascinerend. Een slim sociaal meisje met heel veel vrienden koos een meisje dat op een onbewoond eiland woonde met alleen maar vogels en planten. Als je altijd maar gezien wordt als heel sociaal en slim, is dat hoe je je gaat gedragen. Maar dit meisje was misschien wel introvert en heel gelukkig op zichzelf. Een jongen die bekendstond als een luie, niet superslimme ruziezoeker koos iemand in een commerciële functie met een eigen bedrijf. Hij had heel goed op orde wat hij eigenlijk wilde. Sommige meisjes kozen ook een jongen als personage, omdat ze dachten: dan heb je veel meer mogelijkheden.” 
 

Wat kan een leerkracht doen om inclusiviteit in de klas te bevorderen?
“Wees je ervan bewust dat je ondanks je goede bedoelingen toch blinde vlekken hebt. Bedenk dat de labels die een kind opgeplakt krijgt anders kunnen zijn dan de identiteit die een kind voor zichzelf zou kiezen. Soms durven kinderen dat niet, omdat ze zich niet veilig voelen. Je moet als jongen een sterke persoonlijkheid hebben om te zeggen dat je niet van voetbal houdt, en wel van nagels lakken. Zelfs als je denkt dat je je kinderen kent en dat je overal voor openstaat, vraag je dan alsnog soms af: Is die jongen wel echt druk? Is dat meisje nou verlegen of gewoon introvert? En is dat meisje met al die vriendinnen niet stiekem eenzaam? Het gaat niet om het woord dat jij op het kind plakt. Het gaat om welk woord het kind op zichzélf plakt. Ik ken een platinablonde jongen die eigenlijk gewoon een zwarte rapper is. Dat label zou hij op zichzelf plakken. En identiteit is iets wat je kiest. Het heeft mij – ook als psycholoog – heel lang gekost voor ik me dat realiseerde, dat het een keuze is. Inclusiviteit is ook dat iedereen vrij is zijn eigen identiteit te kiezen.”

En hoe kies je als docent de goede voorleesboeken? 
“Ik ben heel erg fan van leesconsulenten. Zij precies weten welke boeken er zijn. Zij kunnen, ook op het gebied van die inclusiviteit, een heel grote rol spelen in hun advies. Want waarom moeten leerkrachten in alle drukte ook nog bijhouden wat er op kinderboekengebied gebeurt? Nergens voor nodig. Leerkrachten hoeven alleen de goede boeken aangereikt krijgen die zij zelf leuk vinden. Zie het voorlezen ook niet als iets dat je er ook nog bij moet doen. Het hoeft niet elke dag, en je mag ook saaie stukken overslaan. Maakt allemaal niet uit. Leerkrachten werken zich tien slagen in de rondte, tijd voor rust is er niet. Maak van dat voorlezen dus juist een rustmoment voor jezelf. Zeg tegen de klas: ‘Ik ga nu een kwartiertje voorlezen, erna mogen jullie een kwartier zelf lezen.’ En in dat kwartiertje doe je dan zelf gewoon he-le-maal niks. De kinderen lezen een boek, de meester leest de wolken. Zo.”

Tekst: Lotte Stegeman
Foto: J. Koopmanschap

 

Over Manon Sikkel
Manon Sikkel (1965) is kinderboekenschrijver, journalist en psycholoog. Tussen 2009 en 2018 sleepte ze verschillende grote Nederlandse kinderboekenprijzen in de wacht, met name voor de succesvolle IzzyLove-reeks. In april 2019 werd ze voor de duur van twee jaar aangesteld als Nederlandse kinderboekenambassadeur, een initiatief van Stichting Lezen en het Nederlands Letterenfonds in samenwerking met De Schrijverscentrale en Stichting CPNB.  

Delen: